Paramedische omkadering in het buitengewoon onderwijs en Centra voor Ambulante Revalidatie

07 juni 2017

De revalidatieregeling zoals we die tot nu toe kennen, waarbij de ‘revalidatieleerlingen’ niet meetellen voor de berekening van de omkaderingsuren voor paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, blijft, ondanks de geruchten daarover, onverkort gelden.

Van belang binnen de regeling is dat het gaat om “leerlingen die tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd” (artikel 149 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en 310 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010).

Revalidatie behoort volgens het Departement Onderwijs nog steeds tot Volksgezondheid (artikel 5, §1, I, 4° en 5° van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen) en niet tot ‘onderwijs’ of ‘welzijn’. De zesde staatshervorming waardoor Vlaanderen ruimere bevoegdheden krijgt ten aanzien van revalidatie verandert daar niets aan.

De categorie R-leerlingen blijft dus relevant bij het doorgeven van leerlingengegevens. Voor de berekening van de paramedische omkadering blijft de R-leerling niet meetellen.

We kunnen niet om dit antwoord heen. We zijn er onverminderd van overtuigd dat de therapeutische werking van de Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR) complementair bijdraagt aan de buitengewone schoolse context van een steeds kwetsbaarder wordende populatie van leerlingen. Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het Vlaams Welzijnsverbond nemen het initiatief op korte termijn om de respectievelijke administraties en kabinetten uit te nodigen voor een debat inzake de inzet van de middelen voor buitenschoolse hulpverlening (waaronder CAR). De eerste doelstelling daarvan is duidelijkheid te scheppen over ieders rol en specifieke opdracht in dit domein. De tweede doelstelling is te komen tot een debat over een rechtvaardige inzet van middelen met het oog op kwaliteitsvol aangepast onderwijs (in een continuüm van gewoon en buitengewoon onderwijs) voor een zeer kwetsbare doelgroep.