Ontwerpdecreet over onderwijsinspectie 2.0

27 februari 2018

Aan de hand van de bijgevoegde presentatie lichtte minister Crevits het ontwerpdecreet toe.

Dit voorontwerp van decreet bevat enkele fundamentele wijzigingen aan het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs.
De wijzigingen kunnen opgedeeld worden in vijf thema’s: (1) referentiekaders voor onderwijskwaliteit en voor CLB-kwaliteit, (2) het doorlichtingsscenario, (3) de voorlopige erkenning van nieuwe scholen, (4) de samenwerking met de inspecteursadviseurs levensbeschouwelijke vakken en (5) de rechtspositie van de onderwijsinspectie (CLB: centrum voor leerlingenbegeleiding).

Enkele elementen uit de algemene bespreking, die mij opvielen.

Eén. Door meerdere deelnemers werd de voor dit ontwerpdecreet gebruikte methode van zgn. cocreatie geprezen: de overheid dus samen met de onderwijsverstrekkers en pedagogische begeleidingsdiensten. Opmerkelijk toch in een tijd waarin net die nogal eens in vraag worden gesteld. Prima!

Twee. Ook de algemene nieuwe teneur van de werking van de onderwijsinspectie werd geprezen: een geest van eerder partnerschappen tussen inspectie en scholen/pedagogische begeleidingsdiensten i.p.v. een controlerende inspectie, een geest van een meer begeleidende advisering door de onderwijsinspectie. Een geest van meer transparantie ook, waarbij vertrokken wordt van de eigen IKZ-benadering van de school in kwestie (met alles wat dat inhoudt) tegen de achtergrond van generieke kwaliteitsverwachtingen (cf. ontwikkelingsschalen inzake kwaliteit). Allemaal goede voornemens, ongetwijfeld. Maar de vraag die ik me stel, is deze: hoe komt dan precies zo’n ongunstig advies (in 2 varianten) finaal tot stand? Zoiets impliceert toch ipso facto dat de onderwijsinspectie een of meerdere vaststellingen heeft gelegd naast een of ander referentiekader en dan geconcludeerd heeft “dit en dat is niet voldoende”. Ik zie dus nog niet zo heel goed het verschil met het huidige doorlichtingssysteem. Maar the proof of the pudding is in the eating.

Drie. De klassieker van het al of niet nodige papierwerk voor de doorlichting. Daarover ging het ook al zo vaak bij eerdere gelegenheden. En voor zover ik dat begrijp, blijft dat verhaal een stuk dubbel. Enerzijds wordt er gevreesd voor een parallel circuit, waarbij door een of andere actor papierwerk wordt opgelegd, dat niet van overheidswege verplicht zou zijn, maar waarvoor dan de overheid ten onrechte met de vinger zou worden gewezen. Anderzijds is er hoe men het ook draait of keert een verantwoordingsplicht van de scholen ten overstaan van de onderwijsinspectie: allerlei zaken bewijzen (N.B. ik schreef het ook al in mijn commentaar bij de hoorzitting over de voorstellen van resoluties van de sp.a-fractie over het basisonderwijs) impliceert nu eenmaal gestructureerde informatiegaring en registratie en archivering. Er werd in het debat nu wel gezegd: de school hoeft geen documenten alleen voor de inspectie te produceren, die de school niet sowieso gebruikt voor haar beleid en werking. Tja…mag ik in deze tijden van juridisering toch enigszins sceptisch blijven over hoe eenvoudig sommigen dit probleem voorstellen?

Vier. Veel duidelijker en belangrijker vond ik het punt over het daadwerkelijke gebruik van resultaten in allerlei proeven (bv. ook slaagcijfers in het hoger onderwijs) in het beleid van de school. Minister Crevits sprak terecht over de meerwaarde daarvan.

Vijf. Samenwerking met de inspectie levensbeschouwelijke vakken (LBV). Dat lijkt mij een prima regeling wegens de redelijkheid en de grondwettelijkheid ervan. Uiteraard moet die inspectie LBV, net zoals de onderwijsinspectie, binnen haar eigen bevoegdheid blijven (het aanwerven van het personeel in kwestie behoort daar bijvoorbeeld niet toe, zoals Kris Van Dijck terecht aankaartte). Niet onverwacht vond Caroline Gennez die regeling te beperkt (ze vergeleek het ook met de kwestie van eindtermen voor levensbeschouwelijke vakken in het recente eindtermendebat) en sprak daarbij niet het voor het eerst Loobuyckiaanse taal van het zuiverste water, wat uiteraard haar goed recht was.

Zes. Dan toch ook een probleem met de decretale tekst in contrast met de ruime, algemene gedragenheid ervan bij diverse actoren. Het ging meer bepaald om de redenering van het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers (OKO), dat een protocol van niet-akkoord had ondertekend. De geïnteresseerde lezer kan die kwestie nalezen op p.71-74 van het parlementaire document. Een inderdaad, niet-onschuldige, principiële kwestie over de inhoud en methode van de nieuwe doorlichting en de rol daarbij van het nieuwe referentiekader onderwijskwaliteit. Sterker nog: inspecteur-generaal Lieven Viaene erkende tijdens de vergadering zelf dat er een “contaminatie” in de decretale tekst geslopen was in dat verband, maar van een intentie om de tekst alsnog via een amendement aan te passen geen spoor. Behalve dan dat de minister, toen ze haar interpretatie gaf van de bewuste passage, voorzichtig zei dat eventueel toch bepaalde woorden geschrapt konden worden. Jo De Ro had eerder in het gesprek gevraagd of men weet had van een eventueel voornemen bij OKO om hierover naar het Grondwettelijk Hof te trekken.

Ten slotte bleek deze vergadering op een bepaald moment ook zo’n beetje de sessie van de persoonlijke, historische anekdotes te zijn. Lieten zich in dezen niet onbetuigd: Jo De Ro, Jan Durnez, Jos De Meyer, Kris Van Dijck, Kathleen Helsen en minister Crevits zelf. Op in zekere zin de minister na, dus allemaal onderwijscommissarissen met wat meer “onderwijsjaren” op de teller. Politici zijn ook mensen.

Bij de stemming over het geheel van het ontwerpdecreet onthield alleen de sp.a zich.  Groen was niet aanwezig. Er waren elf stemmen vóór (N-VA (6), Open Vld (1) en CD&V (4)).

Je kunt de video van de integrale vergadering bekijken. Het formele parlementaire verslag volgt later op de website van het Vlaams Parlement.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Ontwerpdecreet%20over%20onderwijsinspectie%202.0) (Wilfried Van Rompaey).