Hoorzitting over kwaliteitsvol onderwijs met voldoende en sterke leerkrachten (2) (Commissie Onderwijs, 20 februari 2020): een korte impressie

25 februari 2020

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard ook al de video van de integrale vergadering bekijken.

Tim Surma (onderwijsonderzoeker Thomas More) bleek, jammer genoeg, ziek te zijn. Dus kregen we alleen een op zich ook wel interessante uiteenzetting van: Hannah Grainger Clemson (Schools Policy Officer, Europese Commissie), met ook een tussenkomst van Michael Teutsch (Head of Unit Schools and Multilingualism, DG Onderwijs, Jongerenzaken, Sport en Cultuur, Europese Commissie).

Van Surma waren er in het recente verleden enkele interessante echo’s in de pers te lezen: hij had zich eind 2019 gemengd in het debat (voor abonnees) over de slechte (lees)resultaten in PISA (voor abonnees) en PIRLS, waarop bv. ook Kris Van den Branden (voor abonnees) vervolgens dan weer reageerde; in september 2019 was Surma ook al in het tijdschrift Klasse opgedoken want hij was medeauteur van een didactiekboek. Ik vermoed dat hij direct of indirect ook daaruit geput zou hebben, had hij kunnen spreken op deze hoorzitting.   

Hieronder wijs ik kort en selectief op enkele zaken die me in het gesprek opvielen.

Eén. Deels leek mij Grainger Clemson’s presentatie (en ook de bijdrage van afdelingshoofd Teutsch) in overigens mooi en aangenaam Engels een pleidooi pro domo, waar ik trouwens mee kan leven. Er wordt heel wat actie inzake onderwijs ondernomen in de context van de Europese Commissie, waaraan het Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming erg actief participeert. De beperkte afstand tot die activiteiten door de locatie van de Europese instelling in Brussel zal daar onder andere ook zeker niet vreemd aan zijn. Feit is en blijft natuurlijk wel dat Onderwijs géén Europese bevoegdheid is, wat niet betekent uiteraard dat er in EU-verband geen zinvolle zaken gedaan zouden kunnen voor het onderwijs.

Twee. De slide met die ene vlakke weg (als beeld voor de single track career of one-dimensional path van de reguliere lerarenloopbaan) was herkenbaar, maar ik bleef me toch afvragen of dàt de steen des aanstoots is voor de gemiddelde leraar. Grainger Clemson’s pleidooi voor “career progression” was eigenlijk generiek (geldig voor alle loopbanen van mensen) en kon ik op zich wel waarderen. Die cirkelsymbolen onder de titel “Diverse roles and opportunities” in dat verband “fresh concepts” noemen, vond ik dan weer wel een tikkeltje overdreven. Er zijn voor de lerarenloopbanen inderdaad verschillende scenario’s mogelijk, waarvan voor wie dat wil gerust meer gebruikgemaakt zou kunnen worden. Dat spreekt vanzelf. Een lerarenloopbaan als een continuüm van diverse opeenvolgende fases kwam ook al vaker in diverse Vlaamse onderwijsteksten van de voorbije jaren aan bod.

Steve Vandenberghe verbond dat later met de “vliegtuigloopbaan” van zijn fractie, maar dat is slechts één voorbeeld van het bedoelde concept.

Drie. Na de uitgebreide vragenronde van de parlementsleden, waarbij er steevast veel en snel gepraat wordt (ocharme, die tolk(en) van dienst…), dacht ik bij mezelf: wat kan die jongedame van zo’n waslijst met bovendien soms echt moeilijke vragen daar nu maken? Maar ook nu was ik verbaasd over de vele, goede, omstandige, overzichtelijke antwoorden.  

Vier. Koen Daniëls wees onder andere (bv. met het lot van de bedrijfsstages in het achterhoofd) op de spanning tussen de lerarenloopbaanmogelijkheden waarvan Grainger Clemson sprak en de houding van ten minste een deel van het Vlaamse lerarengild. Dat was ook mijn vraag, die ik hierboven bedoelde. Daarnaast had hij het ook over de specifieke Vlaamse onderwijssituatie, met wat hij kritisch “tussenstructuren” pleegt te noemen. Zoiets ontbreekt doorgaans in het internationale onderwijsdiscours. Het was dus goed om dat element ter sprake te brengen, zij het dat zulks ook in positieve zin gekund had. Later in het gesprek vroeg Daniëls nog naar de impact van de economische situatie in een land op eventuele lerarentekorten c.q. lerarenoverschotten op de arbeidsmarkt.  

Vijf. Steve Vandenberghe vond dat de lerarenopleiding herbekeken moest worden (alweer, dacht ik dan?) en kwam opnieuw met zijn voorstel van een “volledig stagejaar” op de proppen. Ik denk dat hij vergat hoeveel stagetijd (zeker in het derde jaar) er nu al in de lerarenopleidingen van de hogescholen zit. Bovendien sprak hij impliciet alleen over die laatste lerarenopleidingen, want hoe zou zo’n voorstel kunnen sporen met de lerarenopleidingen van de universiteiten? Of zou hij daar nog even snel een volledig stagejaar aan toe willen voegen? Tja… Ik zag dan weer wel meer zin vol realisme in Vandenberghes pleidooi voor wat meer flexibiliteit (ruimte en tijd vrijmaken) in onze nogal “vaste schoolorganisatiestructuur”.

Zes. Loes Vandromme vroeg naar eigenschappen van leraren (met name, naar onderzoek over net diegenen die het lerarenberoep vroegtijdig verlaten omdat ze professioneel andere dingen zoeken dan een vaste job en dito benoeming), naar onderzoek over de tijdbesteding van schooldirecteurs inzake personeelsbeleid en levenslang leren, maar bovenal naar de taak van de overheid (meer sturen of meer vrijheid laten?) in heel dit verhaal.

Zeven. Jo Brouns geloofde in de waarde van sterk leiderschap voor de kwaliteit van scholen en vroeg naar vergelijkend onderzoek van diverse leiderschapsprogramma’s en hun impact op de schoolkwaliteit.

Acht. Elisabeth Meuleman vond de aanpak van Teach for Belgium (cf. de eerste hoorzitting een week voordien) een heel prikkelende gedachte.

Negen. Kathleen Krekels sprak, in de context van waarover het hier echt ging, de meest wijze woorden van alle vragenstellers, althans volgens mij. Met name: over het veel te veel vragen van leraren. Waarbij Jan Laeremans zich dankbaar aansloot, wat schooldirecteurs én hun onderbetaalde status betrof.

Tien. Bij haar antwoorden kon Grainger Clemson putten uit heel wat ervaring, soms zelfs erg concreet. Ik wil alleen nog graag wijzen op een element van de bijdrage van haar overste Teutsch. Die ging namelijk in op de Finse situatie (met verregaande selectie aan de toegangspoort van de lerarenopleiding aldaar + veel support enz.), maar hij zweeg zedig over de ook dalende PISA-resultaten van dat land.

Elf ten slotte. Voorzitter Karolien Grosemans polste naar de mogelijkheden van gedifferentieerde verloning (p.24-25), waarover ze zelf neutraal dacht. In mijn jeugdige onschuld was ik ooit “voor”, nu “tegen”.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Hoorzitting%20over%20kwaliteitsvol%20onderwijs%20met%20voldoende%20en%20sterke%20leerkrachten%20(2)%20-20-02-2020) (Wilfried Van Rompaey)

.