Commissie Onderwijs 25-02-2016 – Ouderpanel Koning Boudewijnstichting

01 maart 2016

Een ietwat vreemde zaak: deze vraag en de inhoud van het gesprek dat erop volgde. De vraag kwam overigens toevallig 1 dag na het pittige debat over de masterplan secundair onderwijs in de plenaire vergadering. De sfeer was nu gelukkig wel anders.
Waarom vreemd? Er wàs al een vraag over het rapport en zijn methode in het kader van de Koning Boudewijnstichting (KBS) geweest een week eerder, nl. van Jos De Meyer. Maar nu haalde onderwijscommissaris Brusseel 1, met alle respect, toch detailvoorstel van de ouders uit dat rapport, nl. van lesuren van 50 minuten naar lesuren van 60 minuten. In het gesprek zelf kwamen daarnaast gelukkig ook andere, veel belangrijkere elementen aan bod: zowel reflecties over het gebruik zelf van bevragingen en wetenschappelijk onderzoek m.h.o. onderwijsbeleid als interessante overwegingen rond onderwijsorganisatie en lesgeven. Daarbij ontstond alleszins bij mij de indruk dat sommige parlementsleden veel daarvan willen verankeren in regelgeving, terwijl ze met heel wat van die zaken echt wel op het terrein van de actieve onderwijsvrijheid komen.
Graag hier nog een uitdrukkelijk woord over de zg. modularisering als een van die behandelde elementen: een concept dat op zich niets te maken heeft met de vraag van 50 of 60 minuten voor een lesuur. Die organisatievorm (inhoudelijk en programmatorisch, pedagogisch-didactisch, organisatorisch) werd destijds in het kader van het zogenaamde Accent op Talent-verhaal (twee rapporten: 2002 en 2004) ook naar voor geschoven als de te veralgemenen aanpak voor het hele secundair onderwijs. Er liep toen inderdaad een interessant modulariseringsproject, waarnaar de minister nu verwees. Zelf schreef ik toen o.a.: “Voor een bepaald deel van de bso-, dbso- en buso-leerlingen is het lopende modulariseringsexperiment wellicht zinvol, vooral dan door de mogelijkheid van de deelcertificaten die deze organisatievorm biedt in tegenstelling tot het traditionele jaarklassensysteem. In dat systeem is de ‘alles of niets’-certificering er voor een bepaalde groep leerlingen (niet voor iedereen) te veel aan.
Maar modularisering beschouwen als de grote oplossing voor de problematische aso/kso/bso/tso-structuur van het onderwijs, voor de problematiek van de milieuspecifieke selectie van de leerlingen èn voor het probleem van doorstroming naar het hoger onderwijs lijkt mij op zijn zachtst gezegd overdreven te zijn.” Men leze in dat verband bv. VAN VALCKENBORGH K., DOUTERLUNGNE M., & SELS L. (2000). Modularisering, meer dan een structurele maatregel. Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2000-2001/1, 43-54, die voorstanders zijn/waren van modularisering. Minister Crevits raadde terecht de lectuur aan van “Evaluatie van het experiment modularisering in het secundair onderwijs”, waarvan ook een handige samenvatting bestaat.

Zij hanteerde op dat stuk de juiste redenering en linkte een en ander, zoals ze terecht al bij meerdere gelegenheden heeft gedaan, aan andere, grote, hangende onderwijsdossiers: eigenlijk draait het in het KBS-rapport niet zozeer om 50 of 60 minuten, maar wel om meer mogelijkheden tot flexibiliteit en tot projectmatig werken. Mogelijkheden dus, geen verplichtingen. Dat is een zaak die de minister voort wil meenemen in het loopbaandebat, in het debat over de bestuurlijke optimalisatie en bij de uitrol van het masterplan.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de suggesties inzake het secundair onderwijs van het ouderpanel van de Koning Boudewijnstichting van Ann Brusseel” aan minister Hilde Crevits.