Commissie Onderwijs 31-01-2019 – Professionele masteropleidingen

05 februari 2019

Eind 2017 ging het ook al eens over dit thema in de media en in de Onderwijscommissie werden daarover op 1 februari 2018 meerdere vragen om uitleg gesteld. Op 15 januari 2019 kwam er in de pers een vervolg op dat verhaal. Het ging nu concreet om een Europese (professionele) masteropleiding in duurzaam energiemanagement aan de Hogeschool West-Vlaanderen (Howest). Die zou de opleiding organiseren in samenwerking met een hogeschool in Groningen en nog twee buitenlandse universiteiten. De studenten zouden een Nederlands diploma ontvangen. Onderwijscommissaris Tine Soens overliep in haar intro enkele belangrijke elementen uit de voorgeschiedenis, met name ook de werkgroep over professionele masteropleidingen in de Vlhora, waar een duidelijke stem leeft pro zulke nieuwe opleidingen aan de Vlaamse hogescholen. Soens’ vragen bevatten alle denkbare relevante aspecten ten behoeve van de studenten in kwestie en de arbeidsmarkt.

Onderwijscommissaris Koen Daniëls vatte nog eens goed samen wat de huidige situatie in Vlaanderen was m.b.t. masteropleidingen en herhaalde hoe Howest daaraan een mouw ging passen. Hij had deels dezelfde vragen als Tine Soens, maar trok de zaak ook terecht open naar het hele Vlaamse hogeronderwijslandschap. Hoe kon verwarring daarover bij toekomstige studenten voorkomen worden?

Minister Crevits was erg duidelijk over het precieze statuut van de masteropleiding die met Howest verbonden werd: aard van het diploma, hoogte van het studiegeld, geen financiering door Vlaams overheidsgeld. De Vlaamse regelgeving was glashelder. Dankzij de Benelux-beschikkingen worden wel Nederlandse hogeronderwijsdiploma’s, met inbegrip van de masterdiploma’s uitgereikt door een hogeschool in Nederland, -- en zo’n diploma was hier net in het geding --, automatisch als niveau gelijkgeschakeld aan een Vlaams masterdiploma. Howest (niet de minister) moest daarover aspirant-studenten accuraat en volledig informeren en de minister zou de bevoegde regeringscommissaris inschakelen voor de controle daarop.

Ze herhaalde haar eerdere standpunt: als er toch nood zou zijn aan professionele masters in Vlaanderen, zou dat structureler aangepakt moeten worden en wel na grondig overleg met alle actoren voor een duidelijk draagvlak. Ze verwees daarbij ook naar bepaalde alternatieven (herdenken of versoepelen van het zgn. schakelprogramma, inhoudelijke samenwerking bij het vormgeven van de opleidingsprogramma’s van masteropleidingen, duaal leren). De Vlhora-werkgroep had nog geen uitgewerkt advies klaar. Misschien is er meer nieuws op het Vlhora-congres van 11 februari a.s.

Ten slotte maakte de minister in de eerste ronde nogmaals haar twijfels ter zake duidelijk door haar ‘uitsmijter’ over de graduaatsopleidingen, lees: de hogescholen zouden (voorlopig) al zeker hun handen vol hebben daarmee…

Vragensteller Soens zat helemaal op de lijn van de minister en voegde nog een argument toe over de status van de professionele bachelor ingeval er een professionele master zou komen. Ze betreurde dat de Vlhora nog geen uitgewerkt advies klaar had.

Vragensteller Daniëls betreurde dat ook en zat ook helemaal op de lijn van de minister, ook wat mogelijke alternatieven betrof. Zijn redenering over “professioneel” en “niet-professioneel” vond ik wel eigenaardig: ik dacht niet dat die tweedeling bestond in het Vlaamse hoger onderwijs of dat er enige aanleiding was om te denken dat zoiets zou bestaan, wel uiteraard de tweedeling “professioneel gericht” en “academisch gericht”. Die laatste lijkt mij, ondanks allerlei (zelfs belangrijke) andersklinkende stemmen die her en der opgaan de laatste jaren, nog altijd perfect legitiem én transparant. Ik had het er al weleens eerder over op deze pagina’s.

Ook wat eigenaardig vond ik het voorbarige statement van interveniënt Jamila Lachkar: ze scheen op het spoor van de minister te zitten, maar toch gelijk al een stuk verder richting professionele master. Interveniënt Franc Bogovic keerde in dat opzicht dan weer een stuk terug, mét een bijkomend meer realistisch argument over het aantal (eventuele) professionele masters (alleen voor bepaalde niches). Als voorzitter van Howest lag een tussenkomst van commissievoorzitter Jan Durnez voor de hand. Hij benadrukte het internationaliseringsaspect (incl. het “communicatieprobleem” dat Vlaanderen daarbij zou hebben, wat ik zelf een eerder mager argument vind, dat men net zo goed zou kunnen omkeren, maar dat terzijde) in het Howest-dossier en toonde dat hij de geschiedenis kent door zijn verwijzing naar de zgn. Commissie ad hoc Hoger Onderwijs en diens motie van aanbeveling (geen resolutie, maar dat is een detail) tijdens de vorige legislatuur, waarover het hier ook al weleens eerder ging. Waar hij met zijn statement over de industriële ingenieursopleidingen precies naartoe wilde, was mij wel niet zo duidelijk: had hij ze liever als professionele masters in de hogescholen gehouden? Voorts sloot hij zich nog aan bij de minister (belang van overleg én van Vlhora-huiswerk) en bij Franc Bogovic (niche-redenering).

Helemaal aan het eind volgde nog een boeiende woorden/gedachtewisseling “als pedagogen onder elkaar” tussen voorzitter Durnez en vragensteller Daniëls. Ik kon alvast de De Lijn-reflectie van die laatste wel smaken.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over professionele masteropleidingen aan Vlaamse hogescholen van Tine Soens en over de professionele master van Koen Daniëls” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2031-01-2019%20%E2%80%93%20Professionele%20masteropleidingen) (Wilfried Van Rompaey).