Voorstellen van resolutie eindtermen 2/3de graad: een persoonlijk commentaar (Commissie voor Onderwijs van 25 juni 2020)

29 juni 2020

Voor het onderwerp van deze commissievergadering moesten we terugkijken naar de plenaire vergadering van 10 juni 2020, waarop de Groen-fractie de spoedbehandeling vroeg voor haar (erg omstandige) voorstel van resolutie, maar niet kreeg. Het document werd verwezen naar de Commissie voor Onderwijs. Daags nadien, 11 juni 2020, had Elisabeth Meuleman, hoofdindiener van het voorstel van resolutie, ook een verwante vraag om uitleg gesteld. De sp.a-fractie had een eigen (verwant, maar beperkter én gerichter) voorstel van resolutie ingediend op 22 juni 2020. Ten slotte was er op deze vergaderingsdag zelf een kritische open brief in De Morgen verschenen van enkele academici die actief geweest waren in de ontwikkelcommissies voor de bedoelde eindtermen. Daarin waren minister Weyts en de onderwijskoepels de kop van Jut.

Bij de bespreking dan van de twee voorstellen van resolutie had ik algemeen dit gevoel: het hele opzet leek mij vooral één grote symbolische actie. Ik schreef het al eerder: we maken in het Vlaams Parlement een periode mee waarin voorstellen van resolutie indienen in is. Hoewel ze soms over belangrijke thema’s handelen, zoals hier, lijkt de vraag of ze nodig zijn op dit moment bij indieners van ondergeschikt belang te zijn. Nee, er gebeurt iets belangrijks in de actualiteit, lokaal of veel ruimer, en dus moet er daarover een voorstel van resolutie in het Vlaams Parlement komen. Men moet daarbij goed weten dat het parlementaire instrument van de resolutie altijd een vraag aan de Vlaamse regering is: doe dit of doe dat (via de beschikbare kanalen). Het andere doel van een resolutie, waarnaar Jean-Jacques De Gucht weliswaar terecht verwees tijdens de discussie, nl. “Kijk burgers, wij zijn als Vlaams Parlement bezig met thema x.” is formeel géén doel van een resolutie, maar zal vermoedelijk wel erg gespeeld hebben bij de indieners hier.

De bespreking liet echter nog wel wat meer zien dan alleen die vraag naar de noodzaak of niet. Ik ga me daar hieronder op concentreren en nog enkele andere zaken aanhalen, maar zeker niet exhaustief de bespreking beschrijven. Er zat trouwens, traditiegetrouw, ook weer veel herhaling in de tussenkomsten.

Eén. Wat historisch bewustzijn, kritische reflectie en burgerschap in het eindtermenverhaal betrof, bestond erover in de meerderheid een consensus dat de voorstellen van resolutie overbodig waren, want ze vroegen iets aan de Vlaamse regering wat vorige legislatuur al geregeld was (met overigens parlementaire goedkeuring). Eerlijkheidshalve (en dat sierde hem wel) voegde coalitiepartner Jean-Jacques De Gucht daaraan wel toe dat hij andere concrete oplossingen voor een bepaald (tijds)probleem zag in de huidige lessentabellen met twee lesuren levensbeschouwelijke vakken. Hij gaf zelfs nog meer inzage in de interne keuken: als hij met zo’n oplossing op de proppen kwam, spraken de andere coalitiepartners van “oorlogsvoering”, terwijl hij dat zelf zag als “een bewustmakingsproces”, waarvan akte. En ter afronding van zijn tussenkomst, ook nog over deze kwestie (van geschiedenisonderwijs, zeker ook in beroeps- en technische richtingen) citeerde De Gucht uit een interessant opiniestuk van historici-Open Vld-medewerkers Jimmy Koppen en Jonas Veys (16 maart 2020).

Twee. Inzake de bijsturingen aan het actuele vervolg van het eindtermenverhaal (voor tweede en derde graad secundair onderwijs) in vermeende “achterkamertjes”, kan ik niet anders dan hier opnieuw (zoals ook in de commissievergadering) verwijzen naar de plenaire vergadering van 12 februari 2020 (incl. de houding toen van de huidige indieners Meuleman en Goeman na de open brief met kritiek van tso/bso-directeurs op bepaalde elementen in het eindtermendossier) en de onderwijscommissievergadering van 11 juni 2020. Overigens zou diezelfde namiddag nog een nieuwe vraag om uitleg (ook van Elisabeth Meuleman) volgen over de zgn. helikoptercommissie in dat eindtermendossier, maar daarover lees je elders op deze pagina’s nog iets. Er was daar wel degelijk een probleem van haalbaarheid en evenwicht tussen verschillende eindtermen, dat om een oplossing vroeg en waarvoor er geen 47 mogelijkheden bestonden. Aangezien de tijd op school sowieso gelimiteerd is, moet er, als men méér wil van het ene, iets afgaan bij het andere. Daarover kwamen geen voorstellen van de indieners van de resoluties.

Drie. Vooral Koen Daniëls ging heel puntsgewijs en nauwgezet doorheen de twee voorstellen van resolutie. Naast de algemene kwestie van “het staat al in de sleutelcompetenties en niet zomaar in eindterm nummer zoveel” botste hij daarbij op nog andere, ook belangrijke zaken. Hij pleitte terecht voor enige terughoudendheid bij alles wat men in de eindtermen wilde opnemen en was zeer realistisch wat het personeelsbeleid van onderwijskoepels betrof. Toen hij bij het punt van de leerstoelen (in het hoger onderwijs) kwam, sprak hij van “staatspedagogie”. Het was algemeen een voorstel van resolutie die alle kanten uitschoot en een heel ruim overheidsingrijpen impliceerde. Loes Vandromme deelde zijn mening. Het voorstel van resolutie van de sp.a was evenwichtiger, maar ook daarvoor gold dat dat al geregeld was.

Elisabeth Meuleman kon dat soort “theater” en “intentieprocessen” van Daniëls niet appreciëren. Dat stond allemaal niet in haar resolutie, volgens haar. Maar over “leerinhouden” en de voorgeschiedenis (vorige legislatuur) van de eindtermen bekende ze wel kleur, zoals bleek uit haar opvatting over “vrijheid van onderwijs”: ze zei geen leerinhouden te willen oplijsten, maar alleen “principes” te willen vastleggen, zoals in de titel van haar resolutie stonden (nwvr: wat het verschil is tussen “de kolonisatie en het dekolonisatieproces” als leerinhoud versus als principe ontgaat mij, maar dat terzijde); het “wat?” in onderwijs was alleen zaak van de overheid (van een eigen pedagogisch project, dat meer is dan alleen maar een didactische methode, geen spoor bij haar) en de leraren hadden vervolgens voor haar alleen de vrijheid om dat “wat?” van de overheid in te vullen (“de lat moest met de eindtermen toch hoog genoeg gelegd worden; dat de koepels daar nog van alles bovenop zouden leggen, dat wilden we toch  niet”). Met andere woorden, voor Meuleman waren de (uniforme) eindtermen en niets dan de eindtermen de onderwijsdoelen, punt.

Vier. Maar dat laatste klopte uiteraard niet. Volgens de Vlaamse regelgeving zijn (of: horen ze het te zijn) eindtermen wel degelijk minimumdoelen, wat ipso facto betekent dat: een concreet pedagogisch project niet alleen hoe die inhoudelijke doelen aangepakt worden, mag bepalen, maar ook bijkomende inhoudelijke doelen kan bepalen binnen de context van dat pedagogisch project. Dat zulks grondwettelijk in eerste instantie  een vrijheid van schoolbesturen betreft, mag daarbij niet vergeten worden, maar dat die vrijheid finaal ook een zekere vrijheid/autonomie van individuele leraren en lerarenteams betekent, is de facto ook een realiteit. Sterke leraren kunnen trouwens perfect om met die vrijheid. Ook de leerplannen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen nu en in de toekomst laten die ruimte.

Vijf. Hannelore Goeman wilde met haar resolutie  vooral breder gaan dan alleen geschiedenisonderwijs. Burgerschapsvorming en herinneringseducatie overstegen voor haar het vak geschiedenis en ze wilde daarvoor een leerlijn in het héle onderwijs, van basis- tot hoger onderwijs. Daarnaast reageerde ze ook uitdrukkelijk op de uiteenzettingen van het Vlaams Belang: ze was het niet eens met de anekdotische aanpak en dedain ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek van Jan Laeremans. En evenmin wilde ze de geschiedenis instrumentaliseren voor hedendaagse doeleinden, zoals Roosmarijn Beckers gesteld had.

Zes. In een voor hem ongewoon lange tussenkomst had Laeremans inderdaad stevig ingehakt op de resoluties, want veel daarin had hem kwaad gemaakt. Zijn anekdotische aanpak en redeneringen daarbij deelde ook ik vaak niet, maar dat betekent  niet dat ik toch evenzeer voorzichtig blijf met het “Uit onderzoek blijkt dat…” van anderen. Hen raad ik graag een interessante vrije tribune van wetenschapshistoricus Bert De Munck aan (De Standaard van 25 juni 2020, p.25; voor abonnees). Het betekende overigens evenmin dat Laeremans niet af en toe ook een punt had. Interveniënt Beckers had na Laeremans vooral gewezen op het feit dat men het geschiedenisonderwijs niet moest onderschatten, dat de geschiedenis niet mocht geïnstrumentaliseerd worden voor hedendaagse doeleinden en had nog een constructief toemaatje over godsdienstonderwijs, waarmee ze finaal Jean-Jacques De Guchts twijfel ontlokte over haar even grote passie waarmee ze het islamonderwijs zou verdedigen. Maar toen was het na bijna twee uur tijd voor de stemming.

De stemming over beide voorstellen van resolutie leverde als resultaat: 12 tegen, 3 voor.

Je kunt de video-uitzending (vanaf 5:17) bekijken.

Terwijl ik deze zinnen typte, kwam het constructieve persbericht binnen over de principiële goedkeuring door de Vlaamse regering van de eindtermen tweede en derde graad secundair onderwijs (26 juni 2020). Wordt dus vervolgd.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Voorstellen%20van%20resolutie%20eindtermen%202%2F3de%20graad%3A%20een%20persoonlijk%20commentaar) (Wilfried Van Rompaey).