Commissie Onderwijs 06-02-2020 – Validiteit van verplichte, niet-bindende toelatingsproeven

12 februari 2020

Het ging inderdaad om een thema waarover al een heel mediadebat gevoerd was vooraf en ik voeg hier nog graag een vrije tribune (voor abonnees) toe van de vijf rectoren van de Vlaamse universiteiten nà de bewuste commissievergadering. Mét trouwens ook een terminologische toelichting die geen overbodige luxe is.

Vragensteller Brecht Warnez had in zijn vraag om uitleg in eerste instantie een specifiek type zgn. verplichte, niet-bindende toelatingsproeven, zijnde de formele, decretale benaming, op het oog, ook gekend onder de naam “ijkingsproeven”: het gaat tot nog toe om de vakinhoudelijke toetsen wiskunde enz. die bestaan voor de bacheloropleidingen burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect en diergeneeskunde. Voor volgend academiejaar komen er daar nog enkele bacheloropleidingen bij (bio-industriële wetenschappen, biowetenschappen en industriële wetenschappen: alle drie  industrieel ingenieur). En daarnaast bestaan er nog heel wat (vooral in de exacte wetenschappen) “ijkingsproeven” waarvoor deelname nog niet verplicht is. Voeg daar ten slotte nog een ander type verplichte, niet-bindende toelatingsproef aan toe voor de lerarenopleidingen van de hogescholen (ook gekend onder de benaming “instaptoets”).

In zijn vragen trok Warnez, conform de beleidsnota Onderwijs, de bestaande praktijk verder open: had minister Weyts een budget om de validiteit van de bestaande proeven in kwestie te blijven monitoren en om de validering te garanderen van bijkomende verplichte, niet-bindende toelatingsproeven en wat was daarbij het tijdschema van de minister?

Het terminologische commentaar waarmee minister Weyts begon, vond ik wel enigszins ironisch. Het leek mij alsof hij mijn eigen commentaren ter zake uit vorige legislatuur gelezen had, toen ik letterlijk hetzelfde (en bij herhaling) schreef wanneer zijn partijgenoot Koen Daniëls insisteerde op de, inderdaad, decretale terminologie. Ook in de plenaire vergadering van 13 maart 2019 was er een boeiend gesprek over de materie. De minister legde de hele bestaande situatie en zijn plannen overzichtelijk uit, incl. de betrokkenheid van VLIR en VLHORA en enkele resultaten van de monitoring tot nog toe. Hij vergat wel even de vraag naar de financiële middelen, die vragensteller Warnez uiteraard niet vergat.

Een hele reeks interveniënten volgde. Roosmarijn Beckers wees er niet ten onrechte o.a. op dat zo’n proef maken voor humane wetenschappen toch wel moeilijker was. Koen Daniëls sprak over de zgn. viertrapsraket van diverse elementen en proeven voor het proces van studiekeuze en -oriëntering, wat op zich inderdaad een positieve zaak is (hij ging ook nog kort in op de betekenis in dezen van “niet-bindende” en zweeg nu wijselijk over het gebruik van het woord “toelatingsproef”). Ik deelde zijn positivisme, maar naar mijn smaak stapte hij toch iets te gemakkelijk heen over het probleem van zgn. valse negatieven bij dit soort toetsen. Hannelore Goeman ging nogmaals in op de gebruikte terminologie, prima, maar hield er iets te weinig rekening mee dat in kranten weleens minder nauwkeurige formuleringen binnensluipen, iets minder prima dus. Zij verkoos dan weer de term “verplichte niet-bindende ijkingsproeven met remediëring” en legde uit wat daarbij voor haar fractie de voorwaarden waren. In die uitleg zat heel wat dat hout sneed, opnieuw prima. En ze had nog pertinente vragen over de organisatie van de bedoelde remediëring, ook terecht. Jean-Jacques De Gucht had al, blijkens zijn tussenkomst en wat nog diezelfde dag in de media te lezen was, bij de regeling van de werkzaamheden, waarbij gewone burgers niet aanwezig mogen zijn in de commissiezaal, een hoorzitting met de universiteiten en hogescholen over dit thema gevraagd én gekregen, waarvan hij ook nog eens de verschillende aspecten herhaalde. Kim De Witte ten slotte putte opnieuw uit zijn persoonlijke, ietwat atypische maar boeiende levensverhaal om te waarschuwen tegen de geplande proeven. Er was eigenlijk al een veel betere proef, nl. zes jaar secundair onderwijs, zo stelde hij: hij had daarmee een punt, vond ik, en zijn uitleg deed mij denken aan het lovenswaardige opinieartikel van Ann Martin en Johan De Wilde (voor abonnees) van de Odisee Hogeschool diezelfde dag. Maar gelijk vond ik iets paradoxaals aan De Wittes verhaal, want in zijn geval had die zgn. “ijkingsproef van zes jaar secundair onderwijs” dan blijkbaar toch niet meteen zo goed gewerkt. Het mooie aan zijn verhaal vond ik wel dat het nadien helemaal goed gekomen was met hem en net dàt lijkt mij nog veel belangrijker.

Finaal voegde minister Weyts niets nieuws toe, behalve dan, zij het in algemene termen, een antwoord op de financiële vraag ter zake. Vragensteller Warnez sloeg aan het eind nog spijkers met koppen wat het nut van zo’n “ijkingsproef” betrof, met name de feedback voor de student. Alleen bleef ik zelf, -- er leek mij daarrond namelijk geen echte duidelijkheid te zijn --,  wat aarzelend over die uiteraard terecht gevraagde validiteit van de proef: zou de proef finaal valide bevonden worden alléén bij de vaststelling dat de deelnemers eraan het gevraagde kennisniveau vóór de aanvang van de studierichting in kwestie bereikt zouden hebben of ook bij de vaststelling dat hun resultaat op de “ijkingsproef” positief zou correleren met hun resultaat aan het eind van het eerste ‘jaar’ van hun gevolgde studierichting?

 Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de validiteit van de verplichte, niet-bindende toelatingsproeven van Brecht Warnez” aan minister Ben Weyts.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2006-02-2020%20%E2%80%93%20Validiteit%20van%20verplichte%2C%20niet-bindende%20toelatingsproeven) (Wilfried Van Rompaey).