Cartografie en analyse van het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers en OKAN-leerlingen (OBPWO)

04 juli 2017

De universiteiten van Gent, Antwerpen en de KU Leuven voerden van september 2014 tot augustus 2016 een evaluatieonderzoek over de organisatie en de knelpunten van onderwijs aan anderstalige nieuwkomers in Vlaanderen. Op het moment waarop het onderzoek afgesloten werd, was de asielcrisis in volle gang. Het rapport houdt dus geen rekening met de cijfers en de gevolgen van de laatste crisis. Dat betekent dat een aantal maatregelen die dit schooljaar van kracht werden (bijkomende middelen voor kleuterparticipatie en een aanzienlijk optrekken van de middelen voor vervolgschoolcoaching in het secundair onderwijs) een aantal van de opmerkingen en aanbevelingen ondervangen.

Zowel de situatie in het basisonderwijs als de situatie in het secundair onderwijs werden bekeken, hoewel de aanpak om Nederlands aan te leren bij beide heel verschillend is. Terwijl kinderen in het basisonderwijs meestal onmiddellijk in de klas bij leeftijdsgenootjes zitten, wordt OKAN in het secundair onderwijs apart georganiseerd. Een en ander heeft te maken met het feit dat jongeren bij het instromen in OKAN geen idee hebben van de mogelijkheden die onderwijs in Vlaanderen biedt. Zo kunnen ze niet meteen kiezen voor de meest geschikte studierichting.

Belangrijk om te onthouden is alvast de centrale beleidsaanbeveling dat een onthaaltraject eigenlijk niet af is na 1 of 2 jaar OKAN (secundair onderwijs). In feite duurt dat voor de rest van de schoolloopbaan van de jongeren. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de ex-anderstalige nieuwkomers als dusdanig herkend en erkend worden, zodat ze een beroep kunnen doen op deskundige begeleiding voor hun verdere schoolse (of andere) loopbaan. Aangezien ze in elke school kunnen opduiken als vervolgschool, wordt dat dus een zaak voor iedereen.

Het valt op dat de onderzoekers bijzonder lovend zijn over de empathie en zorg waarmee leraren met anderstaligen werken. Hun inzet en betrokkenheid is bijzonder groot, hoewel ze zelf ook aangeven nood te hebben aan verdere professionalisering.

Het grote probleem stelt zich bij het doorschuiven naar het reguliere onderwijs. Vooral jongeren die instromen in de 2e graad secundair onderwijs, vallendoor de mand. Het is niet duidelijk of de hoge cijfers voor zittenblijven daarom nefast zijn voor hun verdere carrière. In nogal wat gevallen is het een bewuste keuze wanneer iemand bv. na basisonderwijs instroomt in 1B, om daarna beter voorbereid het jaar opnieuw te doen in 1A. De onderzoekers geven geen uitsluitsel of die leerlingen dan een vlekkeloos traject afleggen richting diploma. Dat is een gemiste kans.

Vaak is het ook zo dat iemand die eigenlijk zou mogen starten in een 4e jaar secundair onderwijs toch start in het 3de jaar. We zitten in secundair onderwijs uiteindelijk met graadleerplannen. Die keuze om met ‘een jaar leerachterstand’ te starten in ons onderwijssysteem zou kunnen betekenen dat de jongere in kwestie nog een jaar respijt krijgt om alle doelen van die graad onder de knie te krijgen. Sommige scholen hanteren daarvoor het uitstel van attestering, waarbij de jongere niet meteen afgestraft wordt omdat hij talig nog niet sterk genoeg zou zijn. Ook daar is het niet duidelijk of die stap achteruit betekent dat de jongere dan meer slaagkansen zou hebben, om uiteindelijk in een rechte lijn naar een diploma te kunnen stevenen.

De vragen over het onderzoek worden pas nu donderdag 6 juli aan de minister gesteld. Wordt dus vervolgd.