Commissie Onderwijs 30-11-2017 – Welzijn en genderbalans bij Belgische academici

05 december 2017

Onderwijscommissaris Elisabeth Meuleman maakte gebruik van diverse onderzoeken (Koning Boudewijnstichting en  Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring van de Vlaamse Gemeenschap (ECOOM)) om de hoge werkdruk van doctoraatsstudenten en wetenschappelijke medewerkers aan te kaarten alsook de ondervertegenwoordiging van vrouwen, met name in de personeelscategorie van de hoogleraren en in de STEM-disciplines. Ze legde gelijk ook het verband met het Vlaamse financieringsmodel van de universiteiten. Factoren die de kwaliteit op een negatieve manier beïnvloeden, zijn net de commercialisering van onderzoek, de onderlinge concurrentie en de werkdruk om de drie academische taken (onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening) naar behoren te vervullen, aldus vragensteller Meuleman. Wat ging de minister doen met al die bevindingen en de te beperkte structurele overheidsfinanciering van het hoger onderwijs?

Minister Crevits antwoordde dat ze de rapportering over de problematiek van de werkdruk en het welzijn vanuit de verschillende universiteiten zopas aan de onderwijscommissarissen had bezorgd. Daarnaast lichtte ze nog eens het hele financieringsmechanisme toe (plus de evenwichten die daarin zitten) en het bestaande financiële groeipad met middelen van Onderwijs en Wetenschapsbeleid (in de nasleep van de ministeriële werkgroep onder leiding van Peter Leyman en de parallelle Commissie ad hoc Hoger Onderwijs onder leiding van Fientje Moerman in het Vlaams Parlement, 2010). Inzake het genderonevenwicht verwees de minister naar de VLIR-taskforce ter zake (2013) en ze zou dat thema weer opnemen bij haar volgende overleg met de VLIR, maar ze zag alvast ook een zekere verbetering (20 procent van het zelfstandig academisch personeel vrouwelijk in 2010 tegenover 25 procent nu is inderdaad toch een stijging met 25 procent).

Vragensteller Meuleman wilde dat laatste en de financieringsthematiek blijven monitoren. Interveniënt Ann Brusseel waarschuwde dat een genderbeleid soms tot een te grote belasting van de weinige vrouwen zou kunnen leiden. Bedachtzaamheid leek haar gepast. Ze vond dat vrouwen in die academische carrières gestimuleerd moesten worden, zodat de taken een beetje gelijk konden worden verdeeld. Interveniënt Paul Cordy zocht de noodzakelijke evenwichten bij het beleid van de hogeronderwijsinstellingen zelf: zowel voor de werksituatie van de doctorandi als inzake gender. Wat dat laatste betrof, zag hij een al gewijzigde situatie in de magistratuur en delen van de gezondheidszorg, waarvan geleerd zou kunnen worden. Interveniënt Koen Daniëls was het ten slotte eens met zijn partijgenoot en ging bovendien in op de verschillende aard van de publicaties in het hoger onderwijs.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de enquête van de Koning Boudewijnstichting inzake het welzijn en de genderbalans bij Belgische academici van Elisabeth Meuleman” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan via wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen