Commissie Onderwijs 18-05-2017 – Concrete uitrol van ondersteuningsteams

23 mei 2017

Een heel bijzondere commissievergadering, veel schoon volk aanwezig: de ochtendsessie, waarop deze vraag om uitleg van onderwijscommissaris Caroline Gennez (in overleg met minister Crevits trouwens uitgesteld in de vorige commissievergadering) oorspronkelijk geagendeerd was, was te elfder ure geannuleerd; het lange meerderheidsoverleg van de avond voordien dat rechtstreeks deze vraag raakte, moest namelijk die voormiddag nog voortgezet worden. Net op de valreep was er een akkoord in de meerderheid. Het duurde wel nog tot 14.20u eer de vergadering echt van start ging. Twee uur en twaalf minuten zou de behandeling van de vraag duren…

De intro van vragensteller Gennez bevatte alle relevante elementen van dit delicate en complexe dossier en ze verwees gelijk ook naar de drie amendementen (amendement 1, amendement 2  en amendement 3) bij het ontwerp van onderwijsdecreet XXVII, dat ook in deze commissievergadering voorlag, drie amendementen, die het product waren van het vermelde, intense meerderheidsoverleg en die aan het begin van de vergadering waren rondgedeeld op de banken. Vragensteller Gennez betreurde dat ze die amendementen zeer last minute in de maag gesplitst had gekregen, maar ze herinnerde zich meteen, denk ik, ook wel dat die politieke praktijk niet zo ongewoon was.
Gennez sprak over de grote ongerustheid bij ouders en het onderwijsveld aan de hand van twee concrete getuigenissen. Ze sprak over de recente onderhandelingen van de minister met de vakbonden en inrichtende machten. Ze verwees naar een apart advies van diverse actoren (d.d. 23 februari 2017), die zich onvoldoende betrokken voelden in de voorgeschiedenis. Ze lijstte alle belangrijke criteria voor een goede regeling in dezen op, zoals haar partij die zag, en stelde een hele reeks vragen over het wat en hoe van de nieuwe regeling die de minister in petto had.

Minister Crevits begon met de mankementen aan de huidige regeling: er was nood aan verandering. Ze schetste de voorgeschiedenis van het dossier en op 16 mei had ze een akkoord bereikt met de sociale partners. Inhoudelijk ging ze in op de basisnota die op 31 maart 2017 op de Vlaamse regering besproken was en die de basisprincipes bevatte voor de verandering. In één beweging overliep de minister systematisch hoe die principes vorm hadden gekregen in de rondgedeelde amendementen. Ook het Vlor-advies van 23 februari 2017 had daarin een rol gespeeld, aldus de minister. De rationale achter de zgn. 70/30-financiering, die vragensteller Gennez nog zo onder vuur had genomen, werd verduidelijkt en de minister legde daarbij ook het onderscheid uit tussen de berekening van de omkadering en de concrete aanwending van die middelen. Die nieuwe aanpak zou ook een sociale correctie betekenen van de huidige gon-regeling, die vooral kinderen van hoogopgeleide ouders ten goede komt. Voor de zgn. “kleine types” kwam er een voorafname van het totale budget, er kwamen overgangsmaatregelen, het netoverstijgende karakter van de werking kwam op een genuanceerde wijze aan bod, er kwam een transitiefonds om het eventuele verlies van middelen in een onderwijsnet te compenseren, een evaluatie van het systeem zou volgen en na voorlopige personeelsregels zou een aangepast personeelsstatuut voor de ondersteuners later volgen.

Dan brak de tweede ronde aan. Vragensteller Gennez kon akkoord gaan met enkele stellingen van de minister, maar niet onverwacht herhaalde ze ook enkele van haar kritieken. Uiteraard dienden zich toen een rij interveniënten aan. Het zou hier te ver leiden om al hun uitspraken toe te lichten, maar ik haal er toch graag enkele uit. 

Onderwijscommissaris Koen Daniëls citeerde een voor zijn fractie cruciale passage: “Dit decreet heeft tot doel kinderen met een ondersteuningsnood maximaal en effectief ondersteuning te bieden in de klas en de betrokken leerkracht te ondersteunen en competent te maken met en voor deze ondersteuningsnood.” In Katholiek Onderwijs Vlaanderen wordt dat doel perfect beaamd, lijkt mij. Daarnaast beklemtoonde hij de behouden rugzakfinanciering voor de zgn. kleine types en een accurate communicatie over het hele systeem.

Onderwijscommissaris Jo De Ro’s uitspraken, de toon waarop en zijn “geschiedenisles” over 1958 incluis, klonken heel bekend in de oren, want hij had ze de dag voordien ook al gedaan tijdens de hoorzitting over bestuurlijke optimalisatie en schaalvergroting (BOS) en het was dankzij de onderwijscommissarissen, zo zei hij, dat de laatste sprint getrokken was: met name inzake het belang van netoverschrijdende samenwerking, die voor hem niet strijdig hoefde te zijn met de vrijheid van onderwijs en die hij documenteerde vanuit zijn Vilvoorde. Wat ons betreft, stonden daarover al constructieve zaken in de extra nieuwsbrief van 18 mei, die overigens heel sterk geleken op wat De Ro nu stelde. Wat hij soms heeft van horen zeggen, moet misschien toch ook weleens in het juiste kader geplaatst worden. Toegegeven, niemand is perfect, maar generaliseren vanuit een beperkt aantal voorbeelden… tja.

Onderwijscommissaris Elisabeth Meuleman beschreef de grote inspanningen en de tekortkomingen in het huidige systeem van de voorbije twee jaar. Dus ook voor haar was verandering een must, maar ze hekelde de timing. De extra 15 miljoen euro vond ze alvast wel positief. Regelmatig was ze het eens met de uitgangspunten van de minister, maar betwijfelde ze of de voorgestelde remedie daarvoor wel de juiste was (bv. de 70/30-financiering). Ook ging ze, naar analogie van De Ro’s standpunt, in op het belang van netoverschrijdend werken en de eerdere ingrepen ter zake van deze Vlaamse regering.  

Voorzitter Kathleen Helsen argumenteerde waarom zij vond dat het akkoord van de sociale partners, dat naar het Vlaams Parlement was gekomen, een sterk akkoord was. De verschillende kenmerkende elementen van de nieuwe regeling passeerden opnieuw de revue en Helsen verdedigde ze met klem. Ze juichte de vrijheid inzake samenwerking toe en beklemtoonde de noodzakelijke verdere professionalisering.

Dit dossier ligt na aan het hart van onderwijscommissaris Kathleen Krekels. Zij beklemtoonde dat er alleen maar winnaars waren in dezen, alsook de 70/30-financiering en het netoverschrijdend werken. Op het terrein zelf gebeurde er op dat vlak al heel wat, zo zei ze, en ze sloot af met een expliciet woord van dank aan iedereen die had meegewerkt aan deze nieuwe regeling.

Onderwijscommissaris Jos De Meyer citeerde veelzeggend een tweet: “De weg die de sociale partners de voorbije weken aflegden om het ondersteuningsmodel te realiseren, kan niet worden onderschat. Trots.” Getekend: Marianne Coopman (algemeen secretaris van de Christelijke Onderwijzersvakbond). Hij wees ook op de urgentie van het dossier en op het (historisch) lage aantal amendementen bij het voorliggende ontwerpdecreet. Het is inderdaad ooit anders geweest.

Onderwijscommissaris Kris Van Dijck verbond de zaak met het adagium van autonomie en vertrouwen uit het Vlaamse regeerakkoord, maar voegde daar meteen een waarschuwing aan toe. Voor het overige herhaalde hij de volgens hem positieve aspecten van de nieuwe regeling, inclusief de extra financiële middelen (en dus geen besparingsronde zoals sommigen destijds het M-decreet voorstelden, zo zei hij) en had hij er zelfs vertrouwen in dat, na grondige lectuur van de amendementen, ook de oppositieleden hierin brood zouden zien.

Minister Crevits vroeg en kreeg vervolgens een applaus voor het vele en hard werk van de in dezen niet onbekende onderwijsambtenaar Theo Mardulier en zijn team. Ze rondde af met de keuze voor een financiële middenweg tussen volledige linearisering en toch nog een stuk extra gewicht geven aan de attestering conform het eerdere Vlor-advies. Ze citeerde, ook veelzeggend, een passage in het amendement: “Scholen kunnen opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net. Wij willen de versterking van internettensamenwerking. Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal de volgende vormen aannemen. Ten eerste, scholen kunnen opteren voor ondersteuning door een netwerk van een ander net, en twee, door het versterken van de internettensamenwerking.” Ten slotte verwees ze expliciet naar de samenwerking binnen het officiële onderwijs. 

Zoals gebruikelijk kreeg vragensteller Gennez het laatste woord. Zij kwam met een tegenbericht van een directeur uit het katholiek onderwijs over de netoverschrijdende samenwerking. Ten slotte zei ze nog dit, ook veelzeggend: “Maar ik zou vanop de parlementsbanken een oproep willen doen aan de minister van Onderwijs. Ik denk dat het nooit goed is om het eigen net te schofferen. Dat is jaren niet gebeurd. Voorgangers van sp.a en Open Vld kregen uiteraard kritiek. Het is een goede zaak dat kritiek op een minister mogelijk is. Maar ik denk dat we er geen belang bij hebben om in een schoolstrijd 2.0 terecht te komen.
Deze regering heeft een slecht trackrecord als het op netoverschrijdende samenwerking aankomt. De expertisecentra zijn afgeschaft, de consortia in het volwassenenonderwijs, de netoverschrijdende pedagogische begeleiding. Nu schrijft men die samenwerking vrijblijvend in, maar meteen wordt er vanop het terrein anders gereageerd. Wij gaan het compromis dus zeer aandachtig doornemen en we zullen onze stem bepalen, maar ik vrees dat het onvoldoende draagvlak vindt in het veld om mee te kunnen goedkeuren.” 

Er werd afgesproken om de behandeling van de amendementen (en de stemming) uit te stellen naar dinsdag 23 mei om 12.00u.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over de concrete uitrol van de zogenoemde ondersteuningsteams in het kader van het M-decreet van Caroline Gennez” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2018-05-2017%20%E2%80%93%20Concrete%20uitrol%20van%20ondersteuningsteams) (Wilfried Van Rompaey)