Commissie Onderwijs 31-01-2019 – Lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs

06 februari 2019

Een van de stokpaardjes van onderwijscommissaris Steve Vandenberghe: belangrijk inderdaad, maar de vragensteller was gelijk zelfs zo realistisch dat hij zelf in zijn intro al erkende dat er geen pasklaar antwoord was op het probleem. Waarover ging het? Bij deze gelegenheid maakte Vandenberghe gebruik van onderzoek van de KU Leuven in samenwerking met de UGent, Sciensano en het Vlaams Instituut Gezond Leven. Dat liet magere resultaten zien voor de Vlaamse jeugd, wat betrof de norm die de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) voorschrijft voor kinderen en jongeren: dagelijks 60 minuten matige tot intensieve beweging. Vragensteller Vandenberghe blikte achteruit naar zijn vraag om uitleg in mei 2018 en vooruit naar de geplande hoorzitting over het Toekomstplan basisonderwijs (14 februari 2019). Een vakleraar lo in elke basisschool: kon dat?

Minister Crevits vertrok in haar antwoord van de nieuwe bewegingsdriehoek met allerlei nuttige effecten. Ze verwees naar het omstandige overleg (met diverse organisaties) in het verlengde van de gezondheidsconferentie van minister Vandeurzen en naar haar eigen initiatieven (ook samen met ministers Gatz en Muyters). Voor de vakleraar lo (in elke basisschool) herhaalde ze haar (terechte) vertrouwenscredo van het Vlaamse regeerakkoord en verwees ze naar de lo-vragen in het Toekomstplan basisonderwijs van de sociale partners. Ze wilde alleszins de budgettaire gevolgen afwachten van zo’n maatregel. En hoe zat het met de kwaliteit van de bewegingsopvoeding: mét en zonder een vakleraar lo? Dat was ook een vraag die de minister terecht bezighield.

Vragensteller Vandenberghe herhaalde de kwestie over het verschil inzake lo tussen het kleuter- en het lager onderwijs. Hij was overtuigd van een lagere kwaliteit van de lo-lessen, als de onderwijzer zelf die lessen moest geven en ook inzake de lo-leerlijnen zag hij alleen maar voordelen in een aparte leraar voor lo (vakleraar of leraar lager onderwijs). Algemeen pleitte hij ook wel voor de geïntegreerde opdracht in het lager onderwijs, maar lo was toch een specifiek geval, aldus Vandenberghe.

Interveniënt Ingeborg De Meulemeester herhaalde het leergebiedexpertenstandpunt van haar partij en sloot zich voor lo aan bij de mening van vragensteller Vandenberghe. Interveniënt Jenne De Potter deelde ook een aantal bekommernissen van de vragensteller, maar haalde uit het vermelde onderzoek ook de nood aan meer samenwerking tussen de veelheid aan initiatieven. Over de vakleraar lo twijfelde hij en deelde niet per se de overtuiging van Vandenberghe inzake de onderwijskwaliteit. 

De minister ging nog in op het verschil tussen een vakleraar lo en een leergebiedexpert ter zake en gaf persoonlijk de voorkeur aan een vakleraar lo, maar een sportieve onderwijzer kon toch weer voor haar. Als het maar iemand was met een warm hart voor bewegingscultuur op school. De waarde van leraren lo (zeker ook in het secundair onderwijs) voor een bewegingsomslag van de hele schoolcultuur mocht voor de minister gerust wat meer benadrukt worden.

Vragensteller Vandenberghe besloot met positief te wijzen op de grote stappen vooruit de voorbije jaren, maar er was evenzeer nog een grote groeimarge.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over leerlingen die de bewegingsnorm niet halen en het eventueel aanstellen van vakleerkrachten lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs van Steve Vandenberghe” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2031-01-2019%20%E2%80%93%20Lichamelijke%20opvoeding%20in%20het%20basisonderwijs) (Wilfried Van Rompaey).