Commissie Onderwijs 30-04-2020 – Afwijkende eindtermen in steinerscholen

06 mei 2020

Ook deze vraag om uitleg van Roosmarijn Beckers was een opvolgingsvraag bij een eerdere vraag (van Kim De Witte) op 9 januari 2020. Maar terwijl de toenmalige vraag duidelijk gesteld werd vanuit een bepaalde sympathie voor het pedagogisch project van de steinerscholen, merkte ik bij vragensteller Beckers heel wat scepsis over de zaak (cf. ook het antwoord op haar schriftelijke vraag van 2 januari 2020 over de slaagcijfers van steinerafgestudeerden in het hoger onderwijs). Het ging om de aanvankelijk negatieve beslissing over de aanvraag van de steinerscholen i.v.m. de gelijkwaardigheid van hun vervangende eindtermen en de door de overheid goedgekeurde eindtermen eerste graad secundair onderwijs. Na overleg had de Vlaamse regering op 10 april vervolgens positief beslist in de zaak (N.B. Het ontwerpdecreet in kwestie was in het Vlaams Parlement ingediend op 4 mei 2020; let wel, het gaat daarbij alleen om vervangende eindtermen en uitbreidingsdoelen Nederlands eerste graad secundair onderwijs). Hoe waren de oorspronkelijk vastgestelde gebreken van het aanvraagdossier opgelost en hoe zat het met de timing rond de invoering van de nu goedgekeurde alternatieve eindtermen?

Minister Weyts legde omstandig het hele decretale proces uit, het constructieve overleg ter zake én het belang van het Referentiekader Onderwijskwaliteit, dat de onderwijsinspectie voor àlle scholen hanteert.

In haar repliek ging vragensteller Beckers expliciet door op die kwaliteitskwestie, zoals die ook prominent in de beleidsnota van minister Weyts stond, toonde zich daarbij een groot voorstander van de aangekondigde gestandaardiseerde netoverschrijdende proeven en voegde nog enkele hypothetische vragen toe, ook over de zgn. ijkingsproeven van het hoger onderwijs en de resultaten van leerlingen uit methodescholen op zulke proeven.

Interveniënten Loes Vandromme en Elisabeth Meuleman onderstreepten beiden het belang dat hun respectieve fracties hechtten aan de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, die hier duidelijk in het geding was. Dit steinerdossier was helemaal volgens de decretale spelregels verlopen. Meuleman ging niet ten onrechte nog een stapje verder door van een ietwat tendentieuze vraag te spreken. Interveniënt Koen Daniëls sloot zich daar grotendeels bij aan (het decreet over onderwijsdoelen met de procedure voor de gelijkwaardigheid van eindtermen had goed gewerkt; er was goed overleg geweest met de steinerscholen enz.), zij het dat er bij hem toch ook die ondertoon was van “vervangende eindtermen, alléén als het écht nodig is” (lees: een duidelijk accent dus op een breed gedragen visie voor het héle basis- en secundair onderwijs) en “aandacht voor de aansluiting” met hoger onderwijs.

Minister Weyts vatte al die belangrijke elementen nog eens goed samen. Vragensteller Beckers vond ten slotte die vrijheid van onderwijs toch ook belangrijk, greep terug naar het huidige kwaliteitsprobleem (N.B. Daarover is natuurlijk wel meer dan één woord te zeggen, maar dat zou hier te ver leiden.) en benadrukte daarbij het belang van kennis (zelfde nota bene als hiervoor).

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over het akkoord van de Vlaamse Regering over afwijkende eindtermen in steinerscholen van Roosmarijn Beckers” aan minister Ben Weyts.

Reageren kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2030-04-2020%20%E2%80%93%20Afwijkende%20eindtermen%20in%20steinerscholen) (Wilfried Van Rompaey).