Commissie Onderwijs 11-06-2020 – Nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad gewoon secundair onderwijs

15 juni 2020

Beste lezer, er moet mij vooraf iets van het hart. Ik doe het hier bij deze eerste vraag om uitleg van de commissievergadering, maar dat is toeval. Die vraag was namelijk alvast inhoudelijk en politiek wél interessant en zeker niet zomaar een expressie van puur kwantitatieve gretigheid (cf. infra).

Toen ik de agenda van deze onderwijscommissievergadering zag, met zegge en schrijve 26 (!) vragen om uitleg (nwvr: uiteindelijk werden er ‘slechts’ 23 vragen gesteld), dacht ik bij mezelf: moet dat nu echt? Ik zag de herhaling van de herhaling bij bepaalde onderwerpen zo weer op mij afkomen. Gaat het nu echt vooral om de kwantiteit van de vragen en veel minder om de relevantie van de vragen op dit moment (N.B. Ze horen overigens over het beleid van de minister te gaan en niet over allerlei andere zaken of derden)? Idem dito voor de astronomische aantallen schriftelijke vragen. Vele mensen in de onderwijsadministratie, in het onderwijskabinet en in de parlementaire diensten zouden “wat minder” zeker kunnen appreciëren. Het is mij nog nooit overkomen dat pas op het moment zelf dat ik deze zinnen typ, de verslagen op de parlementaire website stelselmatig worden aangevuld… De druk, zoals die jaren geleden o.a. in mijn eigen krant gelegd werd, via (simplistische) rapporten van de parlementsleden, die aan de breinen van journalisten ontsproten waren, leek mij intussen toch nu wat geluwd. Maar misschien net ook niet? Toevallig zag ik recent een onderzoek van blogger JVerhelst passeren, die gelukkig zelf het erg relatieve belang van zijn onderzoek besefte.

Let wel, ik kan gelijk ook enig begrip opbrengen voor de parlementsleden, gelet op de ook veel meer algemene druk op mensen in onze alomtegenwoordige “meetcultuur” en dito “industrie”. De meest recente Onderwijsspiegel deed mij daaraan ook weer denken, maar daarover zal de Commissie voor Onderwijs zich later ongetwijfeld nog wel buigen. Hoe dan ook, mag het in tegenstelling tot de “klassieker” van de slager vroeger “toch iets minder zijn?”. Een wat strakkere tijdbewaking door de commissievoorzitter zou ook al kunnen helpen. Haar partijgenote Liesbeth Homans bijvoorbeeld doet dat als parlementsvoorzitter in de plenaire vergaderingen uitstekend: “En uw vraag luidt?... En uw vraag luidt?”.  Sommige politici mogen dan wel de mond vol hebben van (al of niet vermeende) onnodige versnippering en een gebrek aan efficiëntie (dus noodzaak van rationaliseren) bij ànderen, maar (ik heb het al ooit geschreven, denk ik) misschien moeten de politieke geprivilegieerden vanop de chique lederen fauteuils in hun parlement, die zo makkelijk praten hebben over anderen, ook ’s wat meer in eigen hart kijken. Het algemene politieke landschap in dit land oogt nu toch ook weer niet zo fraai…

En tot slot van deze intro: ik had bij de agenda van deze commissievergadering, die ik wegens werkdrukte niet vroegtijdig had kunnen consulteren, wel het geluk dat een goede collega mij wees op een vraag om uitleg over ons eigen huis, want dat gaf mij de tijd om die zaak toch een ietsje proactiever te bekijken, maar daarover lees je nog wel iets elders op deze pagina’s.

Maar dan nu de eerste vraag van een lange vergadernamiddag. Het zou trouwens ook niet de laatste vraag die dag zijn van vragensteller Elisabeth Meuleman. Naar ‘goede’ (goede, nu ja, maar ook daarover had ik het al weleens eerder) gewoonte had ze daarover al vooraf gecommuniceerd, wat minister Weyts nadien ook zelf in zijn betoog aangreep (cf. infra). Daarmee werd het een bijzondere vertoning, vol ironie, maar de grond van de zaak was natuurlijk wel ernstig en belangrijk. Maar de zaak was gelijk ook alweer een voorbeeld bij uitstek van de complexiteit van onderwijs en onderwijsbeleid.

Normaal zouden de nieuwe eindtermen tweede en derde graad secundair onderwijs geagendeerd zijn op de Vlaamse regering van 5 juni 2020, maar er was blijkbaar politieke onenigheid, zo wist Meuleman. Zouden de “serieuze ingrepen” van minister Weyts in de ontwerpen van de ontwikkelcommissies ter zake nog teruggaan  naar die experten en zouden de eindtermen finaal, als “dè” maatstaf voor ons onderwijs, de uitkomst zijn van een volwaardig democratisch proces, zo vroeg Meuleman. Een dag later schreef Nora Sleiderink in De Tijd er een interessant artikel over.

Op zijn eigen wijze herinnerde minister Weyts aan de voorgeschiedenis van dit verhaal in de plenaire vergadering van 12 februari en vragensteller Meuleman aan haar standpunt toen. Gaandeweg werd het een soortement pingpongspel tussen beiden over een gespleten persoonlijkheid. De minister legde de zaak uit en kwam finaal met zijn (niet gedefinieerde) concept van een zgn. “helikoptercommissie”. Ook Hannelore Goeman, Koen Daniëls, Jan Laeremans en Jo Brouns deden hun duit in het zakje. Wat de minister na drie kwartier al een terechte opmerking over de tijdbesteding in deze commissievergadering deed maken. Het zou niet zijn laatste (al of niet impliciet) zijn deze vergadering…

Ook vragensteller Meuleman kende iets van ironie, of was het eerder cynisme of sarcasme: “wie was er altijd zo vóór die kenniselementen in de eindtermen?”. En ze besloot in haar slotwoord, dat eigenlijk geen slotwoord was, met een herhaling van haar vraag over “teruggaan naar de experten”. Wordt (hopelijk snel) ‘afgeklopt’.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs van Elisabeth Meuleman” aan minister Ben Weyts.

Reageren kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2011-06-2020%20%E2%80%93%20Nieuwe%20eindtermen%20voor%20de%20tweede%20en%20derde%20graad%20gewoon%20secundair%20onderwijs) (Wilfried Van Rompaey).