Hoorzitting over twee voorstellen van resoluties over directeurs en leraren in het basisonderwijs: een bondig commentaar (Commissie Onderwijs, 31 januari 2018)

01 februari 2018

Het parlementaire verslag zelf is nog in voorbereiding, maar hierbij alvast een korte, persoonlijke impressie. Je kunt uiteraard ook al de video van de integrale vergadering bekijken.

Ik wijs hieronder slechts kort op enkele zaken die in het bijwijlen pittige gesprek de revue passeerden, met enkele politieke accenten. Wil dus hier geen exhaustief verhaal verwachten.

Hoewel toen commissievoorzitter Kathleen Helsen de hoorzitting inleidde er nog maar een beperkt aantal onderwijscommissarissen aanwezig was, groeide hun aantal toch wel relatief snel aan tot twaalf (op vijftien). Het ging dan ook om een erg belangrijk én omvangrijk thema. Al meermaals namelijk had minister Crevits in het Vlaams Parlement verwezen naar haar Actieplan of Toekomstplan basisonderwijs: qua algemeen thema dus exact hetzelfde als wat voorlag in de voorstellen van resoluties. Waren die resoluties dan wel nodig eigenlijk? Maar waar bleef dat Actieplan van de onderwijsminister c.q. de Vlaamse regering? Wat was het probleem? Daarop heb ik in de overigens erg interessante hoorzitting geen antwoord gehoord.

Niet helemaal onverwacht was de tijd te kort voor het aantal sprekers, waardoor aan het eind beslist moest worden om twee actoren (de verenigingen van directeurs basisonderwijs: Lieven Verkest, woordvoerder Netoverschrijdend Overlegplatform Directeurs Basisonderwijs en Koen Marichal, Antwerp Management School) niet nu maar op 22 februari aan het woord te laten. Een beetje jammer, vond ik dat, zeker wat het NODB betrof, maar stellen dat deze hoorzitting (vooral) voor die actor georganiseerd werd, leek mij nogal kort door de bocht.

Namens de (gezamenlijke) onderwijsverstrekkers sprak Marc Van den Brande als eerste. Bekijk zijn presentatie. Hij bracht (in 22 minuten) een helder en onderbouwd verhaal, met de gezamenlijke accenten van de onderwijsverstrekkers en legde ook systematisch het verband met de punten uit de voorstellen van resoluties. Naast de sterke punten in de onderwijsregelgeving voor het basisonderwijs werden ook de diverse wenselijke maatregelen opgelijst, die zowel sloegen op het schoolleiderschap en het schoolteam als op de werkingsmiddelen. We zouden ze die ochtend nog vaak horen: het M-decreet en de ondersteuningsnetwerken, bijkomend ondersteunend kaderpersoneel, directeursopleiding, gelijke werkingsmiddelen in kleuter- en lager onderwijs, verhoging van de werkingsmiddelen, vaklerarenkwestie … Voor wie de geschiedenis wat kent, een oud verhaal waarvan de ingrediënten deze én vorige legislaturen al vaak aan bod zijn gekomen. De spreker kent dat verhaal door en door. Dat was duidelijk te merken aan zijn toelichtingen bij de slides en bij de antwoordronde nadien. Mij vielen vooral twee zaken op:

  • het noodzakelijke financiële deel van het verhaal, waarover het stil was gebleven in de voorstellen van resoluties
  • het accent op het (noodzakelijk) legislatuuroverschrijdende karakter van het gehele pakket aan maatregelen

Uit het gesprek op basis van de vele vragen en opmerkingen van de onderwijscommissarissen doe ik een kleine greep.

Eén. De aard en kwaliteit van de directeursopleiding en de instroom in de directeursfunctie. Op grond van twijfels over de kwaliteit van de bestaande netgebonden directeursopleidingen toonden meerdere onderwijscommissarissen zich in globo voorstander van een algemene, neutrale directeursopleiding voor iedereen: daarbij zouden dan het Departement Onderwijs (inzake onderwijsregelgeving) en de hogescholen/universiteiten een directere rol kunnen spelen. De vertegenwoordigers van de onderwijsverstrekkers spraken dat genuanceerd tegen en wezen op het belang, ook in dezen, van hun pedagogische projecten. Het gaat au fond om onderwijskundig leiderschap dat  rechtstreeks verbonden moet zijn met het pedagogisch project in kwestie en ook om de toepassing in die context van allerlei regelgeving. Opnieuw zagen we hier hoe aan de relevantie daarvan door (relatief jonge) onderwijspolitici wordt getwijfeld.

Inzake de kwaliteit van de huidige directeursopleidingen leek me een en ander ook een stuk genuanceerder dan het strenge oordeel van bepaalde onderwijscommissarissen het aanvankelijk deed voorkomen.

Twee. De onderwijsverstrekkers en planlast/verplichtingen/richtlijnen. Dit is een thema dat al vaker in deze commissie gesignaleerd werd. Mijn indruk was altijd al en nu ook weer dat daarover erg ongenuanceerd en anekdotisch gesproken werd en wordt. Richtlijnen vanuit een onderwijskoepel lijken mij niet per se identiek te zijn aan verplichtingen. In sommige gevallen wél, omdat het dan afspraken zijn binnen de ledenvereniging, waartoe de leden zich inderdaad verbinden net op grond van dat lidmaatschap. Dat geldt bv. voor leden van een politieke partij, en a fortiori, voor mandatarissen van een politieke partij evenzeer. En dan? Diezelfde politici willen als vertegenwoordigers van het volk (maar dus evenzeer als onderdeel van de overheid, die bevoegdheden heeft op allerlei beleidsdomeinen) dat schoolbesturen een beleidsvoerend vermogen ontwikkelen, gebaseerd op allerlei zgn. boordtabellen. Dat vergt dus informatiegaring, wat dus hoe dan ook tijd en energie kost. Tja, wil men dat nu of wil men het niet? Soms is die communicatie tussen onderwijskoepel en de leden gewoon een kwestie van een informatieaanbod: over regelgeving, over navorming, over interessante projecten, over bijeenkomsten, over … over … Tja, mag het even?

Drie. Het budget en de prioriteiten. Van diverse onderwijscommissarissen kwamen de vragen naar de kostprijs van al die voorgestelde maatregelen versus het beschikbare budget en wat dan daarbij de prioriteiten waren. Samengevat kwam het erop neer dat het om een veelheid van noodzakelijke maatregelen ging, maar dat die uiteraard niet allemaal tegelijk realiteit konden worden en dat dus aan een financieringspad à la het hoger onderwijs gedacht moest worden over de grenzen van legislaturen heen. Concreet vermelde prioriteiten waren: herstel van de koopkracht van de scholen, gelijktrekken van de werkingsmiddelen van kleuter- en lager onderwijs, beleidsondersteuning van de directeurs, mentoraat voor beginnende leraren.

Vier. Vakleraren. Daarover bestond wat spraakverwarring, die later door COV nog op een goede manier voort werd uitgeklaard. Voor de onderwijsverstrekkers betekende dit punt vooral dat ze geen aparte bekwaamheidsbewijzen voor vakken basisonderwijs wilden. Maar zulks sloot geenszins uit, conform de huidige praktijk, dat onderwijzers (die ‘geïntegreerd’ zijn opgeleid om operationeel te zijn in alle leergebieden) zich daarnaast desgewenst specialiseren in specifieke domeinen/activiteiten en aldus flexibel op school ingezet kunnen worden.

Vijf. Bestuurlijke optimalisatie en schaalvergroting (BOS). Dat punt was niet opgenomen in het gezamenlijke verhaal, omdat de situaties in de diverse onderwijsnetten verschillend zijn. Ook bij de politici zie je verschillende klemtonen. Sommigen zien meer heil in goeddraaiende scholengemeenschappen. Het zij zo. Mits de nodige zin voor pragmatisme valt het toch te verwachten dat het BOS-verhaal nuttige diensten kan bewijzen aan een aantal problemen die in dit hele verhaal van het basisonderwijs nu spelen.

Zes. Uniformisering. Voldoende ruimte en vrijheid kwam in het gezamenlijke verhaal duidelijk naar voor. Maar de vertegenwoordigster van de kleine onderwijsverstrekkers beklemtoonde nog eens extra: geen uniformisering, ook niet inzake de organisatievormen op school.

Vanaf 11 uur kwamen dan de vertegenwoordigers van de vier vakbonden aan het woord. Zij hadden niet één woordvoerder, maar de vier topmensen namen elk een stuk van de presentatie op zich. Hun volledige verhaal was even herkenbaar als dat van de onderwijsverstrekkers, maar de structuur ervan oogde naar mijn smaak wat minder helder dan die  van de presentatie van de onderwijsverstrekkers. We zouden toen nog haast exact twee uur voortgaan met de hoorzitting en het gesprek werd er zeker niet minder interessant op: er werd regelmatig duidelijke taal gesproken, wat heel nuttig is, zeker ook binnen het onderwijs, voor wie haar/zijn zeg wil doen over het onderwijsbeleid en de politieke accenten die daarbij tegenwoordig spelen.

Ook uit dat gesprek nog kort enkele elementen.

Eén. Over de betekenis van vakbonden in het sociale overleg. Vanuit de N-VA-fractie kwam er, met name in de context van het M-decreet en dito ondersteuningsnetwerken, een erg scherpe reactie op de vakbonden: “Ik heb jullie toen niet gehoord …”Jullie moeten ook af en toe ‘s ‘neen’ zeggen in plaats van compromissen te sluiten.”…”Inzake de 109 miljoen euro voor de cao, dan komen jullie met een loonsverhoging als prioriteit in de media.” Dat konden enkele vakbondsvertegenwoordigers uiteraard niet over hun kant laten gaan. Hoe zij, overigens samen met de onderwijsverstrekkers, toen na de stemming over het M-decreet (28 maart 2014) en het vervolg erop hadden geageerd en een nog groter drama hadden voorkomen. Boeiend …

Twee. Efficiëntiewinsten en nieuwe middelen. Eigenlijk werd dit punt ook verbonden met de kwestie van de ondersteuningsnetwerken én met de vrijheid van onderwijs, wat de algemeen secretaris van ACOD-onderwijs luidop deed reflecteren over dat laatste. Bij mij riep dat voor de zoveelste keer deze legislatuur (nochtans niet meer gehoord onder de socialistische onderwijsministers Vandenbroucke en Smet) deze gedachte op: willen de mensen die de onderwijsvrijheid voort willen beknotten c.q. helemaal afschaffen nu eens eindelijk zeggen wat ze daarvoor dan in de plaats willen? Eén openbaar onderwijsnet? En dat gaat dan die efficiëntiewinsten opleveren? ...

Let wel, we moeten spaarzaam met de middelen omgaan (en interne verschuivingen binnen onderwijs zijn mogelijk), zeker, maar in dit hele verhaal zijn ook nieuwe middelen nodig, punt. Hoge verwachtingen kosten ook geld.

Drie. De vakbonden wilden een beroepsprofiel voor directeur, zoals dat ook bestaat voor leraar, en hielden vast aan de vaste benoeming voor de directeur. Geen mandaatsfunctie dus, zoals een onderwijscommissaris opperde. Dat beroepsprofiel was voor een andere onderwijscommissaris dan weer een argument pro haar pleidooi voor een niet-netgebonden directeursopleiding alsof in het reguliere hoger onderwijs een beroepsprofiel leidt tot één uniforme opleiding, ongeacht de specifieke identiteit van de hogeschool of universiteit in kwestie.

Vier. Brugfiguren. Die kwamen kort aan bod als een zinvolle vorm van ondersteuning voor directeurs, met name in stedelijke milieus. Akkoord.

Vijf. Over de vakleraren in het basisonderwijs had ik het hierboven al, maar het punt werd ook in het vakbondsdeel van de hoorzitting nog eens herhaald en toen sprak men van ‘leergebiedexperten’. Akkoord.

Zes. De foto van de volle refter in de vakbondspresentatie deed enkele deelnemers nog nadenken over middagtoezichten, bewakingen, …en of die al dan niet tot het reguliere takenpakket van leraren behoorden. In sommige gemeenten blijken daarover bepaalde pragmatische regelingen te bestaan, waarover de meningen verdeeld waren, maar wat ons naadloos brengt bij een van de laatste elementen van de ochtend: planden de vakbonden iets met het oog op de komende gemeenteraadsverkiezingen, gelet op de interessante positie van de gemeente om iets te doen voor alle scholen op haar grondgebied? Het antwoord daarop was affirmatief.

Reageren op dit commentaar kan via wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen