Commissie Onderwijs 05-10-2017 – STEM-kader

11 oktober 2017

Een opvolgingsvraag van onderwijscommissaris Kathleen Krekels over een belangrijk en niet zo probleemloos thema: het STEM-actieplan en dito kader, uitgaand van de te beperkte aantallen afgestudeerden (op diverse onderwijsniveaus) in technische en exact-wetenschappelijke richtingen. Overigens al een ouder verhaal, en dus ook ‘hardnekkig’. Welke stappen had de minister het afgelopen jaar genomen om ervoor te zorgen dat via het STEM-kader de STEM-vlag ook de lading dekte? Welke maatregelen wilde ze nog nemen om de instroom in STEM-studierichtingen te verbeteren, zeker in het bso en tso? Welke bijkomende maatregelen plande ze om de kwaliteit van het STEM-onderwijs verder te bewaken? Zo vroeg Kathleen Krekels.

Minister Crevits beschreef de werkwijze met de twee lerende netwerken, gecoördineerd door de lerarenopleidingen en financieel ondersteund vanuit het onderwijsbeleid: ‘STEM voor de Basis’ voor het basisonderwijs en het ‘Vlaams Lerend Netwerk STEM SO’. Voor de minister was het STEM-kader ook belangrijk voor de coördinatie van de STEM-Academies door FTI-Technopolis, ook financieel ondersteund samen met minister Muyters. 

De tussenkomst van interveniënt Ann Brusseel kwam heel bekend voor, met nog diverse andere aspecten van dit verhaal: de genderdimensie (en wat zij dan stereotypen noemt in dezen), de kansen op werk met een ICT-diploma, de doorstroom naar STEM-opleidingen in het hoger onderwijs (en mogelijke andere ingrepen daar) en de bekwaamheidsbewijzen om STEM-vakken te kunnen geven, waarop Brusseel terecht een belangrijk accent legde. De reactie van de minister op dat laatste punt vond ik overigens deels ook terecht, maar deels ook vreemd (cf. infra).
Interveniënt Jos De Meyer wilde weten welke precies de begunstigden waren van de 5 miljoen euro extra voor uitrustingstoelagen of toelagen voor de zware infrastructuur in tso- en bso-scholen. Van de minister kreeg hij de bevestiging dat het ging om de zgn. harde STEM-richtingen, inclusief voeding en inclusief land- en tuinbouw. 
Maar over die bekwaamheidsbewijzen voor leraren: “nu toch niet te streng willen zijn, want een chronisch tekort aan leraren met een vereist bekwaamheidsbewijs voor wiskunde, fysica enz.”, tot zover oké, maar vervolgens zag de minister de oplossing in de toekomstige educatieve master wetenschappen. Ik was in de waan dat die term in de hangende decretale tekst sloeg op een soort verzamelnaam voor de toekomstige leraren wiskunde, fysica enz., voor wie de organisatie van hun nieuwe lerarenopleiding inderdaad deels samen zou kunnen gebeuren. Maar uit de uitleg van de minister meende ik nu iets anders te begrijpen, nl.: een soort leraar “wetenschappen”, die dan precies al die genoemde vakken zou kunnen/mogen geven. Hoe men dat (inzake vakkennis en vakdidactiek) allemaal ineens zou kunnen klaren in twee jaar (120 SP of zelfs minder), zie ik niet goed.

Het laatste woord was voor vragensteller Krekels, zoals het reglement voorschrijft.  Zij besloot met een voor haar fractie kenmerkend standpunt: een pleidooi voor het versterken van eventueel leermeesters in wetenschappen en techniek in het basisonderwijs (cf. de hele voorgeschiedenis van de splitsing van het leergebied Wereldoriëntatie). Wordt zeker nog vervolgd.

Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over het STEM-kader van Kathleen Krekels” aan minister Hilde Crevits.

Reageren op dit commentaar kan bij wilfried.vanrompaey [at] katholiekonderwijs.vlaanderen (subject: Commissie%20Onderwijs%2005-10-2017%20%E2%80%93%20STEM-kader) (Wilfried Van Rompaey).